KORTE VERHALEN

Lichtschuwheid
Het gewicht van vlees
Alsof ze slaapt
De gesloten hartschelp
De aap en het konijn
Spiegelijs

Lichtschuwheid

Op de maan zag ik het licht. Mamaan had me laten vallen op een ster vanwaar de ondergaande zon mij aan land duwde. Waarom op een strand met zand zo wit dat zelfs de aarde pijn deed? Maanmensen houden van de nacht. Als de zon het licht heeft uitgedaan beginnen zij met leven. Ik zie genoeg, meer dan me lief is, en toch noemen jullie me ‘de kleine blinde’.

'Shela! Kom kom, je moet de bonen doppen!' Wat zullen ze schrikken bij het breken van de peul. Van mijn nagel die ze boon voor boon uit hun ingebedde bedjes wipt. De donkerte overspoelt met licht. 'Ik kom al Maam!' De witte wasteil doet mijn ogen tot spleetjes knijpen. Niet dat iemand oog heeft voor mijn gesloten luiken. Het rookglas werpt een schaduw over de wereld. Mijn wereld brandt. Blakert zomervakanties zwart als nasmeulende graanstoppels. De eerste drie bonen laten zich in het koude water plonsen. Langzaam vult de pan zich met de geel genavelde jongens. Gata’s kittens doen zich te goed aan de schillen rondom de teil. Geklauwd jagen ze de lege peulen als piepkuikens achterna. De kleine blauwe is van mij. Wild stuift hij door het pas gemaaide gras. Van haar blouses en vier stokken heeft Maam een afdakje gemaakt waaronder ik kan schuilen.

De bonen staan op het vuur. De namiddag gloeit na. Straks is het avond en komt Guillermo. Niet voor mij maar voor de meisjes van hiernaast. Vanuit mijn slaapkamerraam is te zien hoe hij lenig als een aap over de schutting zal hangen. Voor het hek hellen purper stokrozen tegen het blank gelakte splinterhout. Lijzige muurbloemen in afwachting. Ik pluk er één voor in mijn haar. Wit als de rijpe katoenbollen van de velden langs de beek. Vogelzand. Gebroken zandsteen. Ik denk dat hij van meisjes houdt. Naast ons wonen er drie. Van acht, twaalf en vijftien. Hij is vast op die van vijftien. Zo vaak is hij hier. Iedere avond als ik moet slapen. Met onder zijn arm een basketbal. Soms kijkt hij omhoog en dan duik ik weg onder de vensterbank. Hij mag me niet zien staan kijken. Als de schemer invalt zet ik mijn bril af. Dertien ben ik. Geen kind meer. Guillermo is al zestien. Hij lijkt jonger in zijn spijkerbroek en ABC shirt. Sluik haar boven een brutaal gezicht. Ik moet er zo om lachen. Was ik maar zo brutaal. Maam vindt hem niks.

De brede vensterbank is hard. Door een kier van het gordijn kijk ik naar buiten. Achter mijn linkeroor rust tussen een roestig schuifspeldje de roos. Zijdehaar. Blaadjes. Teer. De-huid-van-de-baby-van-de-blanke-boer. Ik houd zo van melasse in mijn mond. Kersen op yoghurt. Zuur. Honing is zon en zoet zonder zeer. Mijn mooiste nachthemd heb ik aan. Blote armen en benen in beige met vergeet-mij-nietjes. Guillermo hangt aan de schutting. Af en toe lijkt hij me aan te kijken. Zijn ogen zoeken steeds het raam. Maar hij kan me niet zien. De bal stuitert een paar keer in het steegje. Die van vijftien lacht haar hoge lachje en houdt haar hoofd wat scheef. Ik zou erbij willen staan niet-dat-ik-dat-durf-maar-toch. De dag fotografeert mijn gezicht met flitslicht. 'Hey witkop! Stomme, stomme angora-dwerg met je rare hoedje op!'

Maam heeft zwart haar. En Paap. En mijn twee broertjes. Gitzwart met een gebruinde huid zoals iedereen op het eiland. Ook Guillermo. Niet langer dan tien minuten in het water. Een toerist zonder luchtflessen. Onder water. Op het water. Boven water. Langs het water. Geen badpak maar duikpak. Water weerkaatst vuur. Nooit onzichtbaar zijn. Hij heeft me ook gezien. Zijn bruine ogen vangen mijn rood. Gauw glip ik in bed. Mijn gevlekte handen schaven. Schuurpapier het laken. Ik had geboren moeten worden in een land met dreigende wolken boven je hoofd. Aan het wegsterven van de bal is te horen dat Guillermo huiswaarts keert.

Het is zo heet. Zelfs onder een parasol op het marktplein met op mijn schoot de lootjes. Veel verkoop ik er niet. Misschien straks, vlak voor de siësta. Of daarna. Dat weet je nooit. De dag duurt lang. Langer dan anders. Er is kermis in het dorp. Ik mag voor het eerst met Ibbie, mijn buurmeisje van twaalf. ’s Avonds. We hebben afgesproken ons strokenrokje aan te trekken en lipgloss op te doen. Niet omdat we zogenaamd zusjes zijn maar omdat we van dezelfde dingen houden. 'Stop er maar mee Shela! Het is veel te warm!' Maam pakt de rol van once over en helpt me de parasol inklappen. De muziek waait in windflarden over het plein. We kopen een ijsje en slenteren langs de tenten en kraampjes. Nu zie je alleen de kleine kinderen met hun ouders. Kinderwagens die tussen de keitjes blijven haken. Een meisje dat de zweefmolen niet wil verlaten. Mijn broertjes komen de draaimolen uit en zeuren om nog een rondje. ’s Middags plakt de kermis van suikerspin en schaafijs aaneen en vallen knieën kapot over de accordeonmuziek. Vanavond draaien ze disco. Dan duizelt de kermis de sterren achterna. Dansen de boxen Donna en Diana. Kan ik mijn topje met glitters aan. Heeft de zon geen vat meer op mijn huid.

Ik wil naar huis. Gauw eten en dan naar Ibbie om ons samen te verkleden. Mijn buurmeisje heeft gloss met aardbeiensmaak. Als dan eindelijk Maams baars is verorberd, kust Ibbie mij en ik haar om te proeven hoe het smaakt een mond van aardbei. Met glans op de lippen en in de ogen lopen we gearmd het groot zijn tegemoet. Laten ons onderdompelen in het gejoel van licht en geluid. Gaan recht op de botsautootjes af. Daar helpt Guillermo. Ibbie stoot me aan. Zij ziet hem het eerst. Hij haalt de lege wagentjes naar de kant. De meisjes op de brede op- en afstaprand bewegen zachtjes op The Jackson 5 en Guillermo weet dat ze naar hem kijken. 'Ik vind hem zo leuk,' giechelt Ibbie. 'Ik ook,' zeg ik zacht. Heel zacht. Vol afschuw rukt ze zich van mij los. Voordat ze in het botsautootje stapt dat Guillermo voor-ons-voor-haar vast heeft, roept ze: 'Je denkt toch niet dat hij met een albino wil!' Maam zegt niets als ik ruim voor afgesproken tijd thuis ben. Vraagt ook niet naar Ibbie.

Het blauwe katertje speelt met mijn teenslipper. De dag is grijs. De kermis een week geleden en ik loop al vijf dagen alleen naar school. Het wolkendek vervangt mijn lange mouwen. Ik duw het katertje terug naar Gata om naar het plein te gaan. Gewoon weer loten verkopen en vanavond niks. Achter mij stuitert een bal op het tempo van mijn stappen. In mij fladdert een Keizersmantel. Mijn neusvleugels trillen. Bij de oversteek blijf ik staan. Guillermo staat naast me. De bal onder zijn arm gehaakt. De sluike pony over zijn ogen. Hij lacht. Ik zeg niets maar steek over naar mijn vaste stek op het plein. Klap mijn klapstoel uit en voel een hand op mijn schouder. Guillermo slaat nu zijn hele arm om me heen. Hij kijkt niet brutaal. Anders. Zo anders. Ik weet niet. 'Ik vind jou een lief meisje,' zegt hij dan. De stenen draaien. De wolken wegen zwaar. Zijn lach is breed. Zijn ABC shirt bezweet en de-afgetrapte-gympies-en-hoe-hij-het-wagentje-vasthield-voor-haar-voor-ons-voor-mij! Ik maak me vrij uit zijn arm en zet het op een lopen.

Het gewicht van vlees

De halspiegel hing op schouderhoogte. Ze keek naar haar gezicht. Altijd alleen maar naar haar gezicht. Naar de grote ogen en volle mond die zelden lachte. Anders viel je op. Diep haalde Swaen adem. Gans noemden de jongens haar. De jongens, hoe lang was dat al niet geleden? Nog kon ze de piepende remmen van hun fietsen horen die haar klem zetten in een achterafje om de duivel aan te doen. Vanachter de hoge heg zag ze de vlaggetjes al komen. Wat had ze die bananenzadels met die puntige vlaggetjes hoog boven de bagagedragers uit gehaat. Dat stelletje wilden op stalen rossen met bloed in de ogen dood gewenst.

Met haar hoofd was niets mis. Misschien een kin teveel.

'Je hebt een mooi gezicht, als je nu eens wat...'

Wat een schrale troost. Swaen kuste haar spiegelbeeld vaarwel alvorens de haakjes van haar karbonadecorselet te openen. Het gaf ademruimte. Ze scheurde de vlezen patchwork pofmouwen in stukken. Aan een pees lubberden de onderarmen als twee zojuist geslachte hennen langs de ellebogen naar beneden. Van de hoedenplank graaide Swaen een dun geschakeld bandje weg en haalde haar polsen net zo lang door de draaibank totdat het smalle armbandje paste. Inmiddels maakte haar middel een mooie curve naar binnen toe. Ze trok de kale kippetjes tot aan de schouders op, sneed ze van de pezen en legde een zwanenhals bloot. Als afsluiter ritste ze de benen open en stroopte die in zacht rubber naar de enkels toe om uit te kunnen stappen, het overtollig vet bij de paraplu's en armkwabben in de doofpot stoppend. Haar sloffen maakten plaats voor elegante schoentjes. Ze was klaar om uit te gaan.

De doofpot trilde na. Verzwaard met dertig kilo bil. Vijftien de stuk. Toen ze nog had durven kijken, in een handspiegeltje achterstevoren voor een passpiegel, had ze nooit haar rug gezien. Niet het rossige, golvende haar tot over de schouderbladen, de naar verhouding goed gevormde kuiten. Ze bestond alleen uit bil en been. In die tijd was ze honderddertig schoon aan de haak. Nu moest het meer zijn. Maar zodra ze de deur achter zich dicht trok, woog ze eenenzestig kilo. Waren haar benen oneindig lang. Liep er met gesloten knieen een kiertje licht tussen de dijen door. Droeg ze een m in zijden ondergoed. Dacht men dat ze aan ballet deed zo sierlijk als zij zich over straat bewoog. Gehuld in een cirkel van tule fabuleerde Swaen een pas de deux met haar schaduwbeeld. De passen op de bal van haar voet raakten nauwelijks de grond. Zonder stekende blikken at ze een sorbet op een overvol terras en staarde naar vrouwen in allerlei soorten en maten.

Buiten keek ze naar billen. Rond, plat, groot, klein, stevig en slap maar vooral naar dik. Dikke vrouwen die zich bevrijd voelden in strakke spijkerbroeken, stevig ingesnoerd met lederen Strass riemen waardoor buiken over ruggen doorliepen en zich rijkelijk boven het denim uit plooiden. Die ze bewonderde maar tegelijkertijd verafschuwde. Net zoals de ranke meisjes met een kuil in hun buik. Die wezen op een rib en verzuchtte niets te kunnen eten. De gesprekken die ze opving over het uitwisselen van lichaamsgewicht. Niets was intiemer dan de cijfers van het menselijk vlees. Zeker als het er drie achter elkaar waren. Swaen wilde dat ze haar dwars door alle lagen heen zouden zien. Waarom beauty beinvloeden door de botte cijfers van een personenweegschaal? Vandaag was ze beeldschoon. Liep in bikini als Miss Sweden hooggehakt door de winkelstraat.

'Hey, vetlap, kijk eens uit waar je loopt!'

In een fractie van een seconde botste Swaen er negenenzestig kilo bij en keerde met gebogen hoofd op verzwaarde holsblokken huiswaarts.

Alsof ze slaapt

'Dani wat doe je?'
'Ik tik beneden. Ik ben wel...moet aan de gang...niet kijken voor twee...'
'Lekker duidelijk Danie!' Duidelijk. Ui. Elijk. Boy is lelijk. Duidelijk lelijk. Van uien ga je janken.
'Kom nou boven!'

Spijker letters in woorden aan de muur denk in stukken beton stort die dan op zijn hoofd uit want als zijn ogen springen ziet hij niet meer wat hij zegt en zwijgt misschien.

'Nee, Boy! Ik tik beneden. Even niet nu. Nu niet!' Buiten dondert de dag door in duister. Onweer is welkom. Overstemt stemmen die binnen, diep van binnen, aan één stuk door kletsen. Wat een gezwets. Het is druk in mij in Daniëlle in Danie van Boy. Daarom tik ik. Druk op mijn toetsenbord die drukte weg. Mijn pratende moeder, zeurende vader, het scheldende Kind, de drummende junk van rechts maar vooral mezelf. Ik mag echt niets van mezelf. Ben tienmaal erger dan mijn moeder van wie ik altijd voor twaalven thuis moest zijn en geen jongens over de vloer zelfs niet bij de achterdeur of met ballen op het plein of aan huiswerk samen en zeker niet in op onder bed. Maar hij moet niet zo roepen. Niet nog een moeder erbij.


'Daniehie! Ik lig al!'
'Ik heb geen slaap!'
'Ik ook niet!'


Boy is lelijk. Hij zoekt nooit rust. Hij zoekt altijd haar. Klaar. Komen dan. Kom dan Danie.


'Laat me nou!'
'Het is al laat!'


Wie kijkt er naar de klok als hij lekker zit en niets hoeft want het is donker en alles is dichter dan dicht de houten vloer ademt en je neuriet op toetsentikkende vingers een nieuwe taal in drie kwarts maat. Roep niet zo. Ik zit al niet lekker meer. Zie dat het twee uur na middernacht is en herinner me dat om half zeven de wekker gaat en ik morgen een afspraak heb vanwege Kind dat honden lijmt behang scheurt barstjes in het aquarium slaat en zwemt in het toilet. Daarom moet ik praten. Naar iemand die luistert. Want Kind luistert niet. Nog meer praten. Ben IK gek? Ik wil gewoon niet slapen stilte is sereen alleen morgen weer lawaai en ik een teringwijf als klontjes in de pap niet zijn opgelost omdat soms heel soms ik vergeet te roeren met hun hete adem in mijn nek. Roep niet zo! Boy, o Boy. Hij zal zo komen. Dat weet ik. Hij komt altijd. Dan trekt hij me achter tafel vandaan en alles uit en komt. Het zou best fijn kunnen zijn. Als hij niet zo lelijk was. Van wie heeft hij het.


'Kom je nou?'


Ik sta op. Het donker roept. Met mijn ogen dicht loop ik de trap op. Als ik nou net doe alsof ik slaap, valt het allemaal wel mee.

De gesloten hartschelp

Zoraide zocht naar Zaagjes en groeilijnen op de Venusschelp. Maar de gedoornde Hartschelp vond haar. Gebroken. Ze boorde er zonder nadenken een gaatje in en hing hem als amulet om de hals. Vlak langs de vloedlijn zette ze haar spoorloos zoeken voort. Ze wilde hem compleet. De tijd vervrouwelijkte haar vormen. Alles leek begraven. Het emmertje werd een handpalm. Bergplaats voor nonnetjes en kreukels.

Op een dag zat ze zomaar in de zon. Er hoefde niets. Haar vingers volgden de harde ribbels in het zand. Plots stuitte de vingertoppen op een tweede klep die haar schelp als een dekschaal paste. Een hervonden doublet lag niet voor het oprapen. De zee had verzwegen, verzwolgen de goed verborgen schat. Maar de wind had het zich laten ontglippen. Haar leegte ingeblazen. Die leegte had haar doen lopen. Vanaf vandaag liep ze over. Haar hoofd naar de hemel gekeerd. Zoraide bevoelde haar amulet. De doorntjes prikten. Ze streelde de andere helft, afgevlakt door zand en water. Blootgestaan aan alle weersomstandigheden. De hare had beschermd op de huid geleefd.

Nu was haar hartschelp compleet. Doch door de lange scheiding waren de verschillen te groot geworden. Even stond ze stil. Ze wierp de zojuist gevonden schelp in zee. In de daarop volgende jaren zou hij onveranderlijk aanspoelen. Hij paste nog steeds. Soms kon je beter blijven zoeken.

De aap en het konijn

In het centrum van een grote stad huisde Grijs Konijn. Bij het grasland aan de buitenrand woonde op een apenheuvel een albino aapje. Schijnbaar zorgeloos dartelde het jonge aapje tot aan het prikkeldraad rond. Het oude konijn had daarentegen alle vrijheid om zo ver als zijn poten hem konden dragen over onbekende paden en wegen te dwalen. Solitair bewoonde het zijn diep onder de grond gegraven hol. Op een avond kwam Grijs Konijn tot aan de apenheuvel. Tussen een hele bende bruine apen, zag hij de witte aap doodstil zitten. Het dier keek droef uit de ogen.
'Hee, aap!' riep hij. 'Ik weet wel waarom jij zo droef uit de ogen kijkt!'
'
Oja?' antwoordde het aapje. 'Hoe kan dat nou? Ik weet het zelf niet eens.' Grijs Konijn krabte zich eens achter het oor en zei deftig:
'Omdat ik oud ben. Als je oud bent, weet je alles.'
'Alles? Dat is wel heel erg veel, konijn!'
Maar omdat het aapje nieuwsgierig was, slingerde het zich toch naar het hek toe. Drukte zijn neus tot vlak voor het draad en vroeg:
'Nou? Waarom kijk ik droef?'
'Omdat je naar mij kijkt. Je aapt me gewoon na.'
Het albino aapje keek verbaasd in de grijsblauwe konijnenogen. Inderdaad keek het konijn niet al te vrolijk.
'Ik aap jou niet na, ik aap je voor!' dacht het aapje geestig te zijn. Grijs Konijn lachte slinks. Poetste een snorhaar op en antwoordde kalm:
'Ik ben wijs. En heb daarom altijd gelijk. Jij bent een na-aper!'
'Ik heb jou nooit eerder gezien. Jij kunt dat helemaal niet weten.'
Het aapje vond het konijn een beetje verwaand.
'Alle apen apen na. Daar zijn het apen voor!' Het aapje klom in een klimpaal omhoog en blufte:
'Maar ik kan veel hoger! Jij weet niet hoe dat moet! Ook niet toen je jonger was. Je weet niet alles beter!'
'Jeugdige hoogmoed!' snoof Grijs Konijn en knabbelde aan een sprietje gras. Keek niet meer op of om naar de aap. De aap maakte een achterwaartse koprol. Ving met een stokje een appelschil uit een plas water. Zag zijn witte kop gespiegeld. De roze ogen beweenden de kleurloze vacht. De kop leek op hem. Niet op die van zijn vriendjes. Hij wilde geen langoor imiteren maar net zo zijn als de andere apen. Hij wist wel waarom het konijn zo droef was. Een konijn hoorde niet zonder zijn troep erop uit te gaan. De aap woonde bij zijn luidruchtige familie. Maar was toch vaak alleen. Hetzelfde kijken, is niet hetzelfde zijn. Maar dat hoefde hij het konijn niet te zeggen. Die wist immers alles al.

Spiegelijs

Innerle keek naar het wit. Haar platte handen maakten een afdruk. Het eerste wat ze zag en voelde was het ijs. Later de lucht en toen ze verder strekte, kwam ze uit bij het water. Wat een schok. Wie was dat? Ze had er geen woorden voor. Innerle had woorden voor donker. Voor denken. Voor dromen in daglicht. Maar buiten de sneeuwhut was het leeg. Niets droeg een naam van betekenis.

Gauw trok ze zich terug. Blies adem langs de gekromde vingers. Alle kleuren draaiden in haar rond. Ze werd warm van groen en blij van de oranje vlammen in het vuur. Betreurde donkerblauw en vroeg zich af waarom ze op de wereld was. Wat was haar wereld? Hier, opgerold in bont, temidden van kleurrijke gedachtes. Of dat daar buiten. Op het gladde wit, het blauw boven haar dat ze kende van binnen, of het ijskoude nat waar ze iets vreemds in zag. Ze stelde die vraag aan Ik: 'Ben ik binnen Ik? Of ben ik buiten Ik?' Ik antwoordde met:
'Je bent beide. Het een kan niet zonder het ander.'
'Dus ik moet toch eens naar buiten?'
Terwijl ze de vraag stelde, weerklonk het antwoord al in de sneeuwhut.

De volgende dag probeerde ze het nogmaals. Innerle duwde waarmee ze dacht naar buiten. Op haar buik schoof ze naar voren. Naar het ijskoude nat. Weer zag ze waar ze geen woorden voor had. Maar ook dat het uit de sneeuwhut kwam gekropen. Dat het iets van haar moest zijn.

De derde dag besloot ze om de hut maar helemaal los te laten. Wat ze toen zag, beviel haar. Het beviel haar zo, dat ze er niet over piekerde terug naar binnen te gaan. De glimmende waterspiegel betoverde. Innerle vond dat ze anders moest gaan heten. Haar naam paste niet meer. Voelde net zo benauwd aan als de beslotenheid van de sneeuwhut. 'Vanaf vandaag heet ik Uiterle,' sprak ze hardop. En wierp haar oude naam naar een veelvraat even verder op, die het tezamen met een halve walvis opvrat.

Haar sneeuwhut sneeuwde onder. Verdween uit zicht. Ging op in de witte heuvel temidden van het wit. Volgens Uiterle diende ze nergens meer toe. Daarop harpoeneerde ze een zeehond, verfde haar lippen rood met bloed en liet haar haren glimmen van onderhuids vet. Wat was ze mooi. Mooi; een woord van glimlachen en bewonderen. Voor alle mooie dingen om haar heen bedacht ze woorden. Zoals voor de kraag van kariboebont rond haar opgepoetste gezicht. De lange beenderen ketting en een opgesmukte laars. De hele dag staarde ze naar haar spiegelbeeld en dacht: Mooi!

Na een paar manen begon het te vervelen. Uiterle had alles nu wel een naam gegeven, maar geen betekenis. Haar mond was rood maar vertelde niets. Eens had ze vol verhalen gezeten. Nu vormden de lippen alleen nog maar een cirkel van mooi. Plotseling miste ze haar hut. Gauw groef ze de hut uit en kroop weer naar binnen.

Wat een warreling van gedachten. Waar te beginnen? Toch begon ze. Netjes stapelde ze een berg van huiden op. En daarmee kwamen de vragen terug. Waarom doe ik dit? Waarom is dat zo? Waarom kan het niet anders? Haar Ik praatte weer tegen haar en ze wist weer wie ze was: Innerle. Maar haar naam lag op de bodem van de veelvraat zijn buik. Wat nu?

Geen naam. Dus ook geen gezicht. Ze wilde een gezicht. Opnieuw ging ze kijken naar hoe ze eruit zag. Spiegelde zich in het water. Had glans en kleur zonder vet en zeehondenbloed. 'Tja, dit ben ik ook. Wie ben ik nu?' Toen bedacht ze om het te verdelen. Iedere dag zou ze een poosje in de hut zijn, maar er toch ook een paar keer op uit gaan. En vanaf die dag noemde ze zich Inuit. Toen Inuit ouder werd, kon ze ook buiten met haar ogen dicht de sneeuwhut in. Zag ze hoe in het voorjaar het ijs smolt en langzaam de grond binnendrong.